Neem de tijd om écht stil te staan

Geplaatst op vrijdag 15 mei 2026

Op 4 mei herdenken we de slachtoffers van oorlog en geweld. Vaak doen we dat met twee minuten stilte, een krans en een toespraak. Maar de woorden die tijdens zo’n herdenking worden uitgesproken, verdienen meer dan alleen een vluchtig moment van aandacht.

Dit jaar was Gerard Kessels (journalist en columnist bij de Limburger) de gastspreker bij het Provinciaal monument op de Cauberg. Zijn toespraak raakte een gevoelige snaar. Het ging over hoe gemakkelijk mensen soms vergeten wat er is gebeurd. Maar ook over hoe belangrijk het is om eerlijk te blijven kijken naar de geschiedenis, niet alleen naar fouten van anderen, maar ook naar die van onszelf.

Kessels laat zien dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Dat oorlog niet alleen iets van vroeger is. En dat haat, uitsluiting en onverschilligheid ook vandaag nog bestaan. Juist daarom moeten we blijven herdenken. Een belangrijk deel van de toespraak gaat over de Holocaust en het verhaal van Anne Frank. Haar woorden van meer dan 80 jaar geleden zijn nog steeds pijnlijk actueel. Dat maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat nieuwe generaties blijven leren over oorlog en vervolging.

Burgemeester Daan Prevoo: “De toespraak zet aan tot nadenken. Niet alleen over het verleden, maar ook over de wereld van nu. Want herdenken heeft alleen waarde als we er ook iets van leren. Daarom roep ik iedereen op, neem de tijd om de toespraak helemaal te lezen. Niet vluchtig, maar met aandacht. Sommige woorden moet je niet snel voorbij laten gaan.”

Toespraak Gerard Kessels


Dames en heren,

Toen ik van burgemeester Daan Prevoo de vraag kreeg of ik vandaag hier op de Cauberg iets wilde zeggen op de dag van de Nationale Dodenherdenking, zei ik: ja. Natuurlijk zei ik ja. Zo’n verzoek wijs je niet af. Ik voelde me vereerd. Dat doe je. Klaar.

Maar dan. Dan begin je pas echt een paar dingen op een rijtje te zetten.
‘Het doel van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei’, zo las ik, ‘is het gezamenlijk herdenken van alle burgers en militairen die zijn omgekomen of vermoord in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, inclusief oorlogssituaties en vredesmissies daarna. De dag staat in het teken van bezinning, respect en het stilstaan bij de waarde van vrijheid.’

Tot zover. Verheven gedachten, heel mooi. Dodenherdenking 4 mei roept een kluwen van emoties en gevoelens op. Bezinning, gedenken, herdenken. We vragen ons af: welke lessen leert de geschiedenis ons?

Maar de dag erna, 5 mei, morgen, nauwelijks 24 uur later is het Bevrijdingsdag. Met totaal andere sentimenten. Feesten, de hele dag. Markten, manifestaties, festivals. Toeterende fanfares. Een dag dat het niet op kan. Zo’n baaierd van gevoelens in 48 uur geperst en geplet. Een wisselbad van emoties en sentimenten. Een onmogelijke opgave.

Maar eerst die dag van vandaag. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei, heeft in latere jaren de definitie nog wat verder toegespitst. Wij gedenken en herdenken, heet het nu, ik citeer: ‘Allen - burgers en militairen - die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord; zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog en de koloniale oorlog in Indonesië als in oorlogssituaties en bij vredesoperaties daarna’. Dat is wel een héél ruime jas, die definitie. Zowat alles en iedereen past er in. Alle slachtoffers: al die honderdduizenden, miljoenen vermoorde joden, al die Nederlandse militairen ter land, ter zee en in de lucht, die vergeefs hun vaderland wilden verdedigen tegen de meedogenloze Duitse agressor.

Maar óók daders, ook onze eigen Nederlandse militairen, die in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van 1945 tot 1949 ginds vaak gruwelijk tekeer gingen in de kampongs en de dessa’s. Die daar hele dorpen in brand staken. Ik had een oom in de familie, een zachtaardige man, die als jonge militair naar Indië moest, zoals dat toen heette, en daar meevocht. In wat toen politionele acties werden genoemd. Eenmaal terug, kon hij niet praten over wat hij ginds had meegemaakt, wat hij had moeten doen, zonder tranen in de ogen te krijgen. Hij had een levenslang trauma. Zoals zovelen. Politionele acties.

Weinig landen hebben de glibberige kunst van verhullend woordgebruik tot zulke hoogte gebracht als Nederland. Het woord oorlogsmisdaden kreeg hier niemand over de lippen. We hadden het liever over ‘excessen’. Sorry, foutje bedankt, het is een beetje uit de hand gelopen. Oorlogsmisdaden signaleren bij anderen gaat ons veel gemakkelijker af dan bij onze eigen vergrijpen. Dan praten we liever over ‘excessen’. Of over ‘ontsporingen’. Of over ‘politionele acties’.

Natuurlijk kwamen er richting Indonesië later excuses en diepe excuses, maar al met al blijft het van Nederlandse kant een buitengewoon treurig en mager verhaal. De echte daden die werden gesteld moesten van de rechter komen. Het Comité Nederlandse Ereschulden dwong de staat tot het betalen van schadevergoeding aan weduwen en kinderen van geëxecuteerde Indonesiërs. Ja, de staat moest gedwongen worden. In Den Haag moesten ze het werkelijk uit hun ténen trekken.

En dat alles, mensen, ná die Tweede Wereldoorlog. Direct na die Tweede Wereldoorlog. Hadden wij dan helemaal niets geleerd. Leert een mens dan nooit, never? Daar lijkt het wel op, helaas.

Homo homini lupus est, wisten de Romeinen al. ‘De mens is een wolf voor zijn medemens’.

Vandaag is het Dodenherdenking. Maar, met al die doden, al die gruwelen en verschrikkingen, al die onmenselijkheid, zijn we toch vrij snel klaar. Jammer, want herdenken en gedenken dat vraagt om tijd, rust, bezinning, stilte en ook wat afstand. Maar, ik zei het al, de dag erna, morgen 5 mei, huppakee, is het alweer voorbij, dan is het Bevrijdingsdag en laten we alle ellende achter ons.

Maar morgen VIEREN we de bevrijding. Vieren we. Bevrijdingsdag is vooral ook de dag dat we dat we het indertijd gehád hadden, dat de zon weer scheen. Bevrijdingsdag heeft iets onbekommerds, zo van: al die ellende, dat was gisteren. Nu kunnen we ons gewone comfortabele leventje weer leiden. Koren zingen uit volle borst, hoempa-orkestjes trekken er op uit, burgemeesters - ambtsketting om - staan te glunderen voor het stadhuis.

Daar komt iets bij.

Vandaag de dag moet alles vederlicht zijn, niets moeilijk of ingewikkeld. En het wordt allemaal in de vorm van vermaak, van entertainment gegoten. Je moet het prettig tot je kunnen nemen, zonder dat het enige moeite kost. Oorlog en bevrijding als hapklare brok. Iets als Soldaat van Oranje. Iets waar je voor naar de schouwburg kunt gaan. Er is sprake van wat ik zou willen noemen: de ver-mu-si-ca-li-se-ring, ja de ver-mu-si-ca-li-sering van de geschiedenis. Een gezellig avondje uit met zijn tweeën. Seizoen na seizoen. Alle leed en heroïek gewikkeld in een lauwwarme doek voor de moderne consument. Ik zei het net al: Humaniteit tonen gaat ons veel gemakkelijker af bij misdaden van anderen dan bij die van onszelf. 4 en 5 mei zijn twee dagen geworden, volgepropt met verplichte nummers. Ja, ook met veel nietszeggende nummers.

Laten we naar de actualiteit gaan. Naar dezer dagen. Naar de dag van vandaag, de oorlog in het Midden-Oosten. Je kunt nooit naar de actualiteit kijken zonder ook het verleden daarin mee te nemen.

En Israël maakt het zijn vrienden, tot wie ik mezelf uitdrukkelijk reken, niet gemakkelijk. Ja, ook Israël, zelfs Israël, begaat nu krijgshandelingen die je kunt bestempelen als oorlogsmisdaden. Net zoals andere partijen ginds. En natuurlijk mag je en moet je daar de joden op aanspreken. Maar dat zie je ook weer gelijk: Joden hebben geen of heel weinig krediet. Vergeleken met andere strijdende partijen als Hezbollah. Jodenhaat schiet als een steekvlam overal weer tevoorschijn. We zien brandstichting bij synagoges, bij Joodse scholen. Joden hebben weer angst het keppeltje op te zetten in de publieke ruimte, zoals dat heet. Publieke ruimte, voor iedereen dus. Maar nu wat minder, of niet, voor mensen aan wie je kunt zien dat ze Jood zijn.

En-tegen-deze-achtergrond-moeten-we-de-holocoust-herdenken-gedenken. Deze 4 mei en ook de volgende. Ja, dat moeten we en dat zullen we blijven moeten doen. Het is onze heilige plicht. Onze eeuwige schuld aan de geschiedenis.

In 2003, nu 23 jaar geleden, verscheen er van mij een bundel columns met als titel: ‘Leven jullie nog?’ Dat was ook de titel van een column.
Ik lees hem in deze dagen nog wel eens. Graag wil ik dat nu ook doen.

Leven jullie nog?
Ik loop door het Joods Museum in Berlijn. Een hypermodern, verwarrend gebouw, dat zich onttrekt aan kwalificaties als mooi of lelijk. Het museum vertelt over de Holocaust, uiteraard, maar ook over het dagelijks leven en de grootse prestaties van de joden. Wat mij altijd weer treft is de moeite die veel Duitse joden, voor de komst van Hitler, deden om goede Duitsers, echte Duitsers te zijn. Ach, wat wilden ze er graag bij horen. Vaak moffelden ze hun jood-zijn zoveel mogelijk weg. Duitser dan Duits wilden ze zijn. Als een kind dat bedelt om de genegenheid van een hardvochtige moeder. Maar de liefde kwam maar van een kant. De joden die zo’n grote bijdrage hadden geleverd aan de opbouw van de Duitse industrie, werden op industriële wijze vernietigd. Over de ruiming van bijna een compleet volk gaat het beklemmendste deel van het museum. Je loopt door een lange, grijze gang met op de muren plaatsnamen die voor altijd in ons geheugen gebrandmerkt zijn: Sobibor, Dachau, Treblinka, Bergen-Belsen, Auschwitz. Aan het eind van deze gang is een gesloten ruimte, waar telkens maar een kleine groep naar binnen mag. Je staat in een immense koker. Heel hoog daarboven, als door een smalle schoorsteen, valt een potloodstreep licht naar binnen. Tegen een van de kale, zwarte muren is een ladder opgehangen. Een ladder? Dat is toch vrijheid, ontsnappen? Maar nee, hij hangt zo hoog dat niemand er bij kan. Hier kom je nooit meer uit, hier houdt alles op, dit is het einde, de gasdood.

Een ruimte waar niets te zien is maar waar je toch blijft kijken. Nooit eerder in een museum heb ik kleine kinderen en opgeschoten jongelui zo stil horen zijn. In deze verpletterende omgeving gaat mij van alles door het hoofd. Die kiem van onverdraagzaamheid die tot antisemitisme en andere verschrikkingen leidt, dragen wij allemaal met ons mee. En dat besef mag nooit vervlakken, nooit verflauwen.

“Leven jullie nog?” Dat soort giftige vragen waar de teleurstelling in doorklonk, kregen Joden die de Duitse gruwel overleefd hadden, te horen toen ze na de oorlog in Nederland terugkwamen. Ze hadden vaak de grootste moeite hun huizen en hun spullen weer terug te krijgen. Wat? Léven jullie nog. En in het Zuid-Limburgse Vilt werden ze in een interneringskamp gestopt, samen met SS-ers en NSB- ers.

In de bibliotheek van het Berlijnse museum koop ik een boek over joodse humor. Die onvolprezen joodse humor. Dat de Joden overleefd hebben , komt ook omdat ze tussen hun tranen door altijd zijn blijven lachen. ‘’Heb je het gehoord: Rabbijn Koppel is gestorven. Ga je naar zijn begrafenis?” “Waarom zou ik? Komt hij soms naar de mijne?”

Tot zover deze column.
--------------------------------------------------------------------------
De holocoust is, ook driekwart eeuw na dato, of misschien juist na driekwart eeuw, in al zijn verschrikking, nog altijd iets onzegbaars en iets onvoorstelbaars. Een uniciteit die in de collectieve herinnering van de mensheid nooit flets mag worden, nooit mag vervagen. Laat staan er uit verdwijnen.

Maar hoe, hoe kun je het vast blijven houden? Hoe kun je er voor zorgen dat jonge generaties meer besef krijgen van wat de holocoust was en wat genocide is? Onze ouders, ik ben van 1946, hebben de bezetting meegemaakt. Mijn generatie, die van direct na de oorlog, heeft de verhalen gehoord. Ze zitten ook voor altijd in ons. Maar wat zal er overblijven in de herinnering van onze kinderen en zeker die van onze kleinkinderen? Eén bezoek met de klas aan het Joods museum in Berlijn, hoe indrukwekkend ook, volstaat niet. De industriële moord op 6 miljoen joden, maakt ons nog steeds sprakeloos. Het gebeurde in het meest moderne industrieland van de twintigste eeuw, in Duitsland. Land van grote wetenschappers en denkers als Max Planck en Albert Einstein. Duitsland gold als een volk van ‘dichters en denkers’. En veel fakkeldragers van de vooruitgang waren Joden. Ze deden hun best Duitser dan Duits te zijn. Toch zó’n land, zó’n beschaving, zich in de armen storten van een tweederangs schilder uit Wenen, zonder enig talent. Als zoiets mogelijk is, dan is alles mogelijk. Ja, nu ook nog.

De mens moet verder, altijd maar verder. Heeft geen tijd om overal bij stil te staan. Zo wordt geschiedenis op den duur een meedogenloze allesreiniger, een onbarmhartige vlekkenspray die alles aantast en opvreet. Maar dat, maar dat, mag nooit gebeuren met de holocoust. Nooit. Daarom zou er iets nieuws moeten komen om de herinnering altijd levend te houden. Dat zou kunnen door op deze gruwel van de Holocoust het gezicht van een jong meisje te plakken. Een gezicht dat iedereen kent. Een joods meisje dat maar 16 jaar oud werd. Dat in 1945 in het concentratiekamp Bergen-Belsen vergast werd. Een meisje dat van tevoren op het onderduikadres in Amsterdam waar haar vader en moeder zich met hun kinderen verstopt hadden, een dagboek bijhield van brieven die na de oorlog gebundeld werden in een boek. Een boek, u kent het verhaal allemaal; een verhaal dat wereldberoemd is geworden en in meer dan zeventig vertalingen verscheen. U hebt het begrepen: ik heb het over Het Achterhuis van Anne Frank. Wereldwijd is zij een begrip.

Anne Frank.

Twee dagen na haar dertiende verjaardag begon zij te schrijven. Huiverend in een oud pakhuis van haar vader in Amsterdam, beschreven als het Achterhuis. Misschien één citaat. Dit noteerde zij ondergedoken in het achterhuis op 13 januari 1943: ‘Verschrikkelijke dingen gebeuren buiten. Arme, hulpeloze mensen worden uit hun huizen gesleurd. Gezinnen worden uit elkaar gerukt; mannen, vrouwen en kinderen worden gescheiden. Kinderen komen thuis van school en ontdekken dat hun ouders verdwenen zijn.’ Nu, meer dan driekwart eeuw later heeft haar taalgebruik niets aan kracht verloren. Het blijft een universele tekst: Wie ben ik?

Wat ik nu zeg ligt meer op de weg van historici en deskundigen. Maar als het aan mij lag kwam er een
internationale Anne Frankdag. Op die speciale dag zouden alle slachtoffers van de Duitse holocaust herdacht moeten worden. Een Anne Frankdag ja. Wereldwijd is zij één van de bekendste personen uit de geschiedenis geworden. Zij is een symbool van de Holocoust.

Het persoonlijk verhaal, de persoonlijke lotgevallen, van één mens, van één jong meisje in dit geval, spreekt méér tot de verbeelding dan de vernietiging van miljoenen naamlozen. De moord op al die miljoenen anoniemen, wordt statistiek. Statistiek ja. Dat is heel onrechtvaardig en het is volstrekt onjuist dat het zo gaat, maar zo werkt het helaas wel. De industriële moord op 6 miljoen joden, maakt ons nog steeds sprakeloos. Het gebeurde in het meest moderne industrieland van de twintigste eeuw, in Duitsland. Land van grote wetenschappers maar ook van ‘dichters en denkers’. Als in zo’n land, een land met zó’n beschaving, een land met zo’n christelijke traditie, van katholieken en protestanten, kortom, een land vol verstandige mensen: Als in zó’n land de Holocoust mogelijk was, dan is die overal mogelijk. Ja, ook nu nog, vrees ik.

Dames en heren, ik ga afsluiten. Ik weet het: Het zijn grote woorden, maar toch: wij hebben de heilige plicht de herinnering aan de Holocoust levend te houden. Voor allen die na ons komen. Dat vraagt werken, dat vraagt actie. Dat vraagt nieuwe initiatieven, nieuwe impulsen, nieuwe accenten zoals de invoering van een Anne Frankdag.


Opdat wij niet vergeten.
Opdat wij nooit vergeten.

Ik dank u voor uw aandacht.

Meer nieuws